Boekomslag Jacquelien Bulterman - Het lerarentekort. Pleidooi voor vakmanschap

We hebben niet alleen te weinig leraren, we hebben vooral te weinig goede leraren. Jacquelien Bulterman formuleert het nergens zo expliciet, en toch kun je de boodschap van Het lerarentekort. Pleidooi voor vakmanschap zo opvatten. Haar prikkelende boekje is een gedegen onderbouwing van hoe het leraarschap in steeds lager aanzien kwam te staan terwijl het beroep wel steeds zwaarder werd. In deze recensie bespreek ik Bultermans analyse van het probleem, en haar interessante, maar ook ietwat ongemakkelijke, oplossingen.

Niet zomaar een tekort: analyse van het probleem

Het lerarentekort in Nederland wil maar niet kleiner worden: nog steeds is een kwart van de vacatures in het onderwijs onvervuld en worden veel lessen onbevoegd gegeven. De Algemene Onderwijsbond luidt – wederom – de noodklok en organiseert dit najaar acties voor hogere lonen en lagere werkdruk in het primair en voortgezet onderwijs. Dat zou ertoe moeten leiden dat minder leraren het onderwijs verlaten en dat meer mensen kiezen voor een loopbaan in het onderwijs.

Opmerkelijk genoeg heeft Jacquelien Bulterman het in haar boekje nauwelijks over deze maatregelen. Volgens haar zijn (ook) andere oplossingen mogelijk en noodzakelijk: het vergroten van het aanzien van leraren door de waarde van praktijkkennis gelijk te schakelen aan wetenschappelijke kennis, het versterken van vakmanschap, en hybride functies van onderwijswetenschappers.
Ze onderbouwt haar betoogt aan de hand van een rijk arsenaal aan bronnen en put daarnaast volop uit haar eigen ervaring als onderwijswetenschappelijk onderzoeker en als leraar. Ze heeft deze disciplines altijd bewust aan elkaar verbonden, en ziet daarin ook een belangrijke eerste oplossing voor het lerarentekort.

Bulterman richt zich eerder op een kwalitatief dan een getalsmatig tekort. Hoewel de auteur die term kwalitatief behoedzaam vermijdt, ontkwam ik als lezer echter niet aan de indruk dat het haar hier wel degelijk om te doen is. Niet voor niets is dit boek een pleidooi voor (het vergroten van) het vakmanschap van leraren, in plaats van voor andere beloningsstructuren, wervingsstrategieën, of een algemene investeringsimpuls in het onderwijs.

Volgens mij is het ook het eerlijke verhaal – zolang het niet wordt gezien als verwijt aan het adres van de leraren zelf. Dat is zeker Bultermans bedoeling niet: zij weet dat leraren simpelweg overvolle borden hebben en vaak onvoldoende worden voorbereid op, of ondersteund in, de vele nieuwe uitdagingen waar ze zich voortdurend voor geplaatst zien. Denk aan de opkomst van nieuwe technologieën, zoals AI en ChatGPT, de thuisproblematiek die veel leerlingen en studenten ook mee naar school nemen en maatschappelijke ontwikkelingen waar ze – volgens politici, ouders en anderen die zelf niet voor de klas staan – voortdurend ‘iets’ mee moeten.
 
Bulterman heeft haar pijlen gericht op beleidsmakers en wetenschappelijke collega’s. Aan de hand van beleidsteksten en eigen ervaringen als onderzoeker van en leraar in de onderwijspraktijk beschrijft zij hoe het beroep leraar zich heeft ontwikkeld in relatie tot de onderwijswetenschap. Ze ziet als kern van het lerarentekort dat de praktijkkennis van leraren ondergeschikt is geraakt aan het onderzoek dat onderwijswetenschappers verrichten: in onze kennisinfrastructuur genieten (onderwijs)wetenschappers hoog aanzien en zijn leraren ‘gedegradeerd tot uitvoerende krachten.’ Uitgaand van deze analyse stelt ze de volgende oplossingen voor:

  •           Vergroot het aanzien van leraren: schakel praktijkkennis en wetenschapskennis gelijk Als praktijkkennis en wetenschappelijke kennis op dezelfde gewaardeerd worden, stelt zij, kan dat ertoe leiden dat het beroep leraar hoger wordt geacht, en ook aantrekkelijker wordt. Hoewel ik denk dat Bulterman hier een belangrijk pijnpunt blootlegt, is een dergelijke oplossing op macroniveau niet snel gerealiseerd. Zelf geeft ze al aan dat het een flinke verschuiving in onze kennisinfrastructuur vereist. Er is zelfs een cultuurverandering voor nodig: het gaat niet alleen om het anders organiseren van kennisontwikkeling en -benutting, maar om anders denken (en waarderen). De auteur stelt mijns inziens terecht dat beleidsmakers en wetenschappers meer waardering moeten hebben voor kennis uit de praktijk. Andersom is net zo belangrijk dat leraren oog hebben voor het nut van theoretische kennis. We moeten dan ook erkennen dat lang niet alle leraren hierin geschoold zijn, er belangstelling voor hebben, of laat staan voldoende tijd hebben om de wetenschappelijke output te schiften en te duiden.  

  •           Versterk vakmanschap Scholen zouden volgens Bulterman veel meer ruimte moeten bieden voor het vergroten van vakmanschap. Ze definieert vakmanschap als ‘zowel de inhoud van het vak als de vaardigheden om die kennis over te brengen aan een klas met leerlingen, dus pedagogiek, didactiek én de leerstofinhoud.’ Ze beschrijft hoe zij samen met leraren onderwijs heeft ontwikkeld met behulp van de van oorsprong Japanse methodiek Lesson Study: samen verbeterden ze niet alleen doordacht en bewust hun onderwijs, maar bevorderden ze ook hun eigen en elkaars deskundigheid. Wat Bulterman hiermee wel laat zien, maar niet heel expliciet benoemt, is dat aspect van gezamenlijkheid. Volgens mij is cruciaal om te beseffen dat professionalisering niet uitsluitend een individuele aangelegenheid is. Het is het samen lerend ontwikkelen dat bijdraagt aan goed onderwijs én vakmanschap. Zie ook mijn blog Vier dimensies van vakmanschap in het mbo.

  •          Creëer betere carrièremogelijkheden door hybride functies De derde oplossing tackelt gelijktijdig het kwalitatieve én het kwantitatieve lerarentekort. Bulterman pleit voor (veel) meer hybride functies in het onderwijs: hybride docenten combineren hun werk als leraar met een functie als wetenschapper of een baan in het bedrijfsleven of een andere sector. Ze richt zich daarbij specifiek op iedereen die in en rondom het onderwijs werkt: als alle onderwijswetenschappers, maar ook leermiddelenontwikkelaars en adviseurs zelf voor de klas gaan staan, is het kwantitatieve tekort zo weggewerkt. Tegelijk moeten leraren ruimte krijgen om naast het lesgeven ook andersoortige functies te vervullen: bijvoorbeeld als onderzoeker, curriculumontwikkelaar etc. Volgens Bulterman leidt dit ertoe dat de loopbaanperspectieven aantrekkelijker worden omdat binnen het werkveld nieuwe rollen ontstaan, maar ook dat wetenschappelijke en praktijkkennis beter aan elkaar worden verbonden. Dat leidt tot versterking van vakmanschap, en dat leidt weer tot verbetering van onderwijs.

Context doet ertoe

Bultermans analyse snijdt hout en de oplossingen die ze aandraagt, sluiten daar logischerwijs goed op aan. De vraag dringt zich wel op hoe wenselijk die oplossingen zijn in de ogen van de beroepsgroep, en hoe haalbaar. Toch heb ik het idee dat het de auteur daar niet eens zozeer om te doen is. Ze legt bloot dat het lerarentekort een wicked problem is. Hoe we gewend zijn in het onderwijs te werken, en daarover te denken en te praten – in relatie tot wetenschap en beleid – is mede de oorzaak van de onderwijscrisis. Ze doet interessante suggesties om de lezer op een andere manier te laten kijken – naar de verbinding tussen theorie en praktijk, onderwijs als normatieve praktijk, professionaliteit en vakmanschap, de school en het onderwijsveld als lerende organisatie.

Een kanttekening is wel dat de auteur in algemene zin praat over ‘het onderwijs’, waardoor de indruk ontstaat dat dat een eenduidig monolithisch fenomeen is. Dit gebeurt overigens in heel veel publicaties over dit onderwerp – ik maak mezelf daar geregeld ook schuldig aan. In het geval van Bulterman valt op dat ze geregeld haar eigen ervaringen als leraar aanhaalt, terwijl die ervaring is beperkt tot het primair onderwijs (of specifieker: de scholen, klassen, bepaalde situaties) en dus niet zomaar automatisch van toepassing kan zijn op andere sectoren of scholen.

De context doet er echter altijd toe: een lerarenteam dat in een basisschool werkt aan vakmanschap zal daarin anders te werk gaan dan een opleidingsteam in een mbo, zelfs als ze daarin eenzelfde methodiek, zoals Lesson Study, hanteren. Het feit alleen al een leraar in een basisschool diens leerlingen doorgaans meerdere dagen per week de hele dag ziet, maakt dat die op een heel andere manier relaties opbouwt en onderhoudt met diens leerlingen dan een vakdocenten in het mbo of vo. Die vakdocent geeft les aan heel veel klassen die die elk maar enkele uren per week treft en heeft dus veel minder tijd en ruimte om de leerlingen en studenten te leren kennen, te zien hóe zij leren of waar ze vastlopen – en heeft te maken met collega’s die met diezelfde leerlingen en studenten omgaan. Dat heeft impact op hoe het leren, en dus ook op keuzes die je – met je collega’s – om het onderwijs te verbeteren en het vakmanschap te vergroten. Zeker voor mensen die, zoals ikzelf, werken aan onderwijsinnovaties, kan een valkuil zijn om vooral te focussen op vakinhouden of het in gebruik nemen van nieuwe technologieën en voorbij te gaan aan de maatschappelijke en sociale opgave van de school.

Ik vermoed dat Bulterman dit wel erkent, maar bewust heeft gefocust op wat alle leraren gemeen hebben, zodat ze een breed publiek kon aanspreken. Toch is het goed als lezers hier oog voor blijven houden. Een boekje, dus, dat aan het denken zet. Warm aanbevolen voor eenieder die in en om het onderwijs werkt.

#DeZinVanHetBoek

Uit elk boek dat ik lees kies ik de zin die mij het meest trof. In dit boek is dat de volgende:
‘We hebben goede leraren nodig, de rest is secundair.’
Zie ook Op zoek naar de zin van het boek

Jacquelien Bulterman (2023) – Het lerarentekort. Pleidooi voor vakmanschap. Amsterdam: Amsterdam University Press

Oplossingen voor het tekort aan goede leraren – Recensie
Getagd op:                                                        

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *